De Chinese boer

 

In het begin van de 19e eeuw leefde er in China een boer.  

 

Hij was tevreden met zijn leven en genoot van iedere dag.

Tegenwoordig zouden we zeggen dat hij echt in het 'nu' leefde.

De boer had zeven prachtige paarden waar hij goed voor zorgde en waar hij veel van hield.

De paarden leverden hem geld op doordat hij ze werk liet doen voor anderen.

Op die manier voorzag hij in zijn levensonderhoud en in dat van zijn familie.

 

Op een dag liepen twee van zijn paarden weg. Zomaar de bergen in.

 Iedereen in het dorp kwam naarde boer en leefde mee. "Wat erg voor je", "Wat vervelend" ,"Je zult wel balen".

Maar de boer zei "Ik weet niet of het goed of slecht is dat mijn paarden zijn weggelopen".

 

 Na een week kwamen de twee paarden weer terug bij de boer en ze hadden vijf wilde paarden meegenomen uit de bergen.

De dorpelingen waren erg blij voor de boer en feliciteerden hem met dit geluk.

 De boer zei "Ik weet niet of het goed of slecht is dat ik nu vijf wilde paarden erbij heb".

 

 Twee dagen later ging de zoon van de boer de wilde paarden temmen.

 Toen hij op het tweede paard zat, steigerde deze zo wild, dat de zoon van het paard viel en beide benen brak.

 Weer kwamen de dorpelingen langs om mee te leven met de boer.

 Ze vonden het vreselijk wat er met zijn zoon was gebeurd.

 De boer zei "Ik weet niet of het goed of slecht is dat mijn zoon van het paard is gevallen".

 

 Twee weken later kwam China in oorlog en werden alle jonge mannen opgeroepen om in het leger te komen.

 Ook in het dorp van de boer kwamen de soldaten langs om de jongens op te halen.

 Toen ze bij de boer kwamen en zagen dat zijn zoon twee benen had gebroken, lieten ze de zoon thuis bij de boer.

 De dorpelingen waren weer helemaal blij voor de boer, maar de boer zei alleen "Ik weet niet of het goed of slecht is dat mijn zoon niet in het leger hoeft".